Waar ik mezelf verloor…
Soms loop je jarenlang naast iemand, zonder ooit echt samen te zijn.
Ik kende hem al vanaf mijn twaalfde. We liepen jarenlang langs elkaar heen, in verschillende fases van ons leven. Pas veel later, toen ik zevenentwintig was, kregen we een relatie. Niet impulsief. Niet onbewust. Maar vanuit een diep gevoel van verbondenheid en geschiedenis.
De eerste paar jaar waren eigenlijk heel mooi. We leerden elkaar opnieuw kennen als volwassenen, voerden gesprekken tot diep in de nacht, deelden dromen over de toekomst. Er was warmte, plezier en oprechte verbondenheid. Maar langzaam begonnen er dingen in te sluipen. Kleine onduidelijkheden, momenten van afstand, het gevoel dat ik hem soms kwijtraakte zonder precies te weten waarom. Ik wuifde het in het begin vaak weg, wilde het niet groter maken dan het was. Tot het niet meer te negeren viel.
We bouwden samen een leven op, kregen twee prachtige kinderen, namen verantwoordelijkheid. Aan de buitenkant leek het stevig. Van binnen werd het steeds ingewikkelder.
Wat ik toen nog niet goed kon zien, was hoe onveilig de dynamiek eigenlijk was.
Ik verlangde naar nabijheid. Naar samen voelen, samendragen, samen aanwezig zijn. Maar waar ik me verbond vanuit openheid, trok hij me steeds opnieuw mee in een patroon van aantrekken en afstoten. Er was weinig houvast. Dingen klopten vaak niet, verhalen veranderden, afspraken vervaagden. Ik voelde me steeds vaker alleen in het proberen om iets heel te houden wat al lang begon te wankelen. Maar ik bleef, omdat ik zo graag geloofde in het beeld dat ik voor me zag. Een gezin en samen iets opbouwen dat bleef.
Misschien was dat mijn aandeel. Dat ik me bleef vastklampen aan iets wat ik zo graag wilde, dat ik mezelf vergat. Dat ik het ideaalbeeld van verbondenheid bleef najagen, ook als de werkelijkheid me iets anders liet zien. En omdat het ook verslavend werd. Die momenten waarop het even wel goed voelde, waarop ik wel werd gezien, wel werd vastgehouden, werden een beloning waar mijn hele systeem naar verlangde. Achteraf herken ik de tekenen van relatieverslaving. Niet alleen psychisch, maar ook chemisch. De highs en de crash daarna. Mijn lijf, mijn hoofd, mijn hart, alles werd onderdeel van die cyclus.
Dat gemis, dat verlangen naar meer samen, is er nog altijd. Maar ik probeer nu te erkennen wat wel waar was, en wat niet meer klopte.
Het laatste stuk van onze relatie was intens en emotioneel.
We hebben gepraat, geprobeerd, gevochten om elkaar te bereiken. Maar hoe harder ik probeerde contact te maken, hoe vager en afstandelijker hij werd. Of hij draaide het om. Vaak wist ik niet meer wat waar was. Dat vrat aan me. En het maakte me afhankelijk van de momenten waarop hij wel dichtbij kwam, alsof die korte pieken het dal moesten rechtvaardigen.
Niet uit onwil. Niet omdat ik niet meer wilde.
Maar omdat mijn lichaam zich begon terug te trekken, elke keer dat mijn verlangen werd afgewezen. Intimiteit werd ingewikkeld. Niet omdat ik geen nabijheid wilde, maar juist omdat ik ernaar verlangde. Steeds weer hoopte ik dat het anders zou zijn, dat ik dichterbij mocht komen, maar ik werd telkens afgewezen. Of het leek even open, en sloeg dan onverwacht weer om. Die onvoorspelbaarheid maakte me angstig. Tegelijkertijd begon ik mezelf langzaam te verdoven. Ik hield mezelf bezig, zocht afleiding, probeerde de pijn niet te voelen. Terwijl ik verlangde naar contact, raakte ik mezelf steeds verder kwijt. En hij leefde in iets wat voor mij steeds leger aanvoelde.
Na alles wat we hadden meegemaakt, werd ook de scheiding een intens proces. Niet eenvoudig, soms pijnlijk en chaotisch. Maar ook daarin vonden we uiteindelijk een vorm waarin we verder konden, ieder op onze eigen manier.
Na de scheiding dacht ik dat ik het begreep.
Dat het lag aan de dynamiek. Aan het gebrek aan emotionele beschikbaarheid. Aan het steeds weer stoten tegen een muur. Ik was ervan overtuigd dat liefde vooral rustig, gelijkwaardig en open moest zijn.
Maar in de jaren daarna begon ik iets anders te ontdekken.
Niet zozeer over de ander, maar over mezelf. Over wat het langdurig verlangen naar verbinding, en het telkens niet vinden, met mij had gedaan. Hoe mijn lichaam uit bescherming had geleerd om afstand te houden. Zelfs wanneer er wel ruimte was. En hoe die relatie, hoe pijnlijk ook, iets in mij had geraakt wat verslavend werkte. Niet alleen door wat hij gaf of niet gaf, maar door de intensiteit, de hunkering, de euforie van het even hebben wat je de rest van de tijd mist.
Ik begon te merken hoe spannend het ook voor mij was geworden om echt aanwezig te blijven in nabijheid. Niet omdat iemand me afwees, maar omdat iets in mij al op voorhand op scherp stond. Alsof ik nog steeds op een oude dreiging anticipeerde.
Dat was het moment waarop ik niet langer alleen naar de ander kon kijken.
Ik moest eerlijk zijn over mijn eigen patronen. Over hoe ik mezelf jarenlang was kwijtgeraakt in het blijven vechten voor iets wat er niet kon zijn. En hoe mijn systeem had geleerd om zichzelf terug te trekken. Als een automatische reactie, los van de context.
Dat inzicht ging niet over schuld. Niet over goed of fout.
Maar over begrijpen. Over zien hoe diep gedrag zich kan inslijpen wanneer je lange tijd probeert iets te krijgen wat de ander niet kan bieden. En hoe je lichaam, in die voortdurende spanning, gewend raakt aan het zoeken, hunkeren, hopen, zelfs als het ten koste van jezelf gaat.
En hoe het pas echt kan veranderen wanneer je zacht leert kijken naar hoe je jezelf bent gaan beschermen. En langzaam opnieuw mag leren openen.
Daar ben ik nu. Niet op een eindpunt, maar onderweg.
Wat me opvalt, bij mezelf en bij mensen om me heen, is hoe hardnekkig bepaalde patronen kunnen zijn. Hoe ze zich blijven herhalen, vaak in verschillende vormen, totdat je ze echt hebt doorzien en afgeleerd. Pas dan verandert ook wat je aantrekt, en wat je toelaat. Het vraagt tijd, bewustzijn en mildheid. Maar juist daar, in dat proces, begint vaak iets nieuws te stromen. Iets wat op echte verbinding lijkt.